Cybernetic Serendipity

Cybernetic Serendipity

In 1968 was de historische expositie Cybernetic Serendipity te zien in het Institute of Contemporary Arts (ICA) in Londen. Kunstenaars als Frieder Nake, John Whitney, Nam Yune Paik en bedrijven als IBM en General Motors maakten deel uit van een groots opgezette tentoonstelling die moest demonstreren ‘hoe de mens de computer en nieuwe technologie kan gebruiken om zijn creativiteit en inventiviteit te vergroten’. Vooral de laatste jaren wordt er regelmatig verwezen naar de expositie als het gaat over computerkunst, maar waarom eigenlijk?

Cybernetic Serendipity was misschien niet de allereerste, maar wel de meest invloedrijke expositie rond computers en creativiteit. Door de grote opzet – er werd van tevoren jaren onderzoek gedaan door curator Jasia Reichardt e.a., er deden 130 partijen mee en er werden tussen 45.000 en 60.000 bezoekers gemeld – maar ook door de mix van wetenschap en kunst. Er was computer gegenereerd werk te zien (grafisch ontwerp, animatie, muziek en poëzie), tekenmachines, robots en demonstraties van o.a. de nieuwste computer van IBM.

De titel verwijst naar cybernetica, de wetenschap die zich bezighoudt met besturing van systemen, biologisch en mechanisch, en naar de prinsen van Serendip (nu Sri Lanka) uit een verhaal van Horace Walpole die ‘altijd dingen per ongeluk ontdekten’. ‘Serendipity’ verwijst naar ‘happy accidents’, naar de verrassende uitkomsten die kunnen komen uit werken met computers.

Volgens Reichardt was de expositie vooral van belang, omdat ze liet zien dat met de komst van de computer een heel nieuwe groep mensen zich met creativiteit en kunst bezig gingen houden, namelijk wetenschappers die het creatieve potentieel van hun onderzoek en tests ontdekten. Kenneth Knowlton bijvoorbeeld ontwikkelde als ingenieur bij Bell Laboratories technologie voor het maken van computeranimaties en werkte nauw samen met Lilian Schwartz en Stan Vanderbeek.

De expositie stelde ook de aard van kunst ter discussie. Michael Noll van Bell Telephone Laboratories doet in de publicatie van de tentoonstelling verslag van een test: aan een testgroep werd een origineel schilderij van Mondriaan en een computergegenereerde versie getoond. 59% van de mensen had een voorkeur voor de computerversie, 28% identificeerde de computerversie correct en 72% dacht dat de echte Mondriaan een computerversie was.

Toch is de invloed van de computer beperkt gebleven in de kunsten. In de publicatie benadrukt Reichardt dat het in de tentoonstelling om mogelijkheden gaat, een blik op een toekomst, niet om prestaties. Van een revolutie zoals in de wetenschap was in de kunst geen sprake.

Die revolutie is er nooit gekomen, al is de hernieuwde aandacht wellicht het begin van iets. Het Amsterdamse festival Sonic Acts signaleerde een comeback in de 2006 editie. Na de veelbelovende jaren zestig was het lang stil en werd er vooral veel toegepast werk gemaakt, maar nu is er opnieuw een groeiende groep kunstenaars die eigen hard- en software ontwikkelt. Voor hen vormen de pioniers zoals Georg Nees en Frieder Nake een belangrijke bron van inspiratie, en komt er meer erkenning voor hun rol door pleitbezorgers als Casey Reas.

Een festival als Sonic Acts vertegenwoordigt de ene kant van Cybernetic Serendipity: de eigenheid van de computer willen ontdekken, de experimenten met parameters en programmatuur. Maar dat festival richt zich echt op een niche, apart van de rest van de kunst, en vindt dat prima. Frieder Nake vond de bourgeois kunstwereld ook maar niks.

De andere kant van Cybernetic Serendipity, kunst en technologie voor de massa, vinden we in Nederland weer terug in een festival als STRP. Maar van de kritiekloze effectkunst (‘wow dat dit allemaal kan zeg’) hebben we op een gegeven moment ook wel genoeg. En dan is het de vraag waar het naartoe gaat. De expositie zou de deur hebben geopend voor kunst en technologie.  Maar wie kan het stokje van de pionierende kunstenaars uit de jaren zestig overnemen? Blijkbaar vormt een expositie van vijftig jaar terug nog steeds de standaard.