Anti-Media

Anti-Media

antimedia

Anti-media gaat over van alles, en niets in het bijzonder. Het boek is een collectie van essays, sommigen al in 1999 geschreven, en kaart uiteenlopende onderwerpen aan zoals anti-copyright, pornografie, creatieve industrie, archivering en file sharing, koken, Oulipo, Anonymous en 4chan, Fluxus, en internet literatuur. Cramer vertrekt vanuit een brede opvatting van kunst, waarbij onderscheid tussen kunst en popcultuur irrelevant is. Speculatief, uit de ondertitel van het boek, moet dan ook beschouwd worden als “eclectic accumulation rather than definition”. Vandaar dat er geen centraal argument in het boek te ontwaren is, maar eerder patronen, of misschien beter in dit geval, ‘obsessies’.

In de introductie stelt Cramer dat kunst een rijkere betekenis kan en zou moeten hebben dan tegenwoordig vaak het geval is, wat voor hem neerkomt op kunst in de opvatting van voor de 18e eeuw en na Fluxus. Voor de 18de eeuw betreft kunst niet alleen linguïstiek, retorica, wiskunde, maar ook weven en landbouw. Na Fluxus wordt het verschil tussen hoge en lage kunst, tussen autonome en toegepaste kunst, opgeheven. De huidige hype van relational aesthetics moet daar vooral niet mee verward worden want gaat niet ver genoeg; koken in een museum blijft toch een ervaring die binnen een conceptuele kunst context wordt geplaatst. Volgens Cramer heeft de hedendaagse kunst zijn edge binnen de hedendaagse cultuur verloren. Een online platform als 4chan wordt onterecht genegeerd. Precies die scherpte is zo essentieel in de (sub)culturen die Cramer beschrijft. De referenties snappen in imageboards betekent op de hoogte zijn van popcultuur, en in de gevallen van computerkunst is ook kennis van programmeren nodig om de werken op waarde te schatten.

Hoewel het boek dus geen centrale vraagstelling heeft, heeft Cramer wel bepaalde fascinaties die vaker terugkomen in de essaybundel. Dit is ook te zien aan de lijst van termen – een soort printversie van de tagcloud – als bijlage aan het einde van het boek: zijn eigen Small Museum of Obsessions, geïnspireerd op het privé-archief van Harald Szeemann. Er is een duidelijke interesse voor programmeertalen als tekst, of code als spraak, en op verschillende plaatsen in het boek wordt er aandacht besteedt aan internet literatuur (of aan de vraag wat dit zou inhouden), hyperfiction en codeworks. Maar dit is uiteindelijk maar een kleine greep van wat er in het boek terug te vinden is; Cramer heeft overal wel iets over te zeggen lijkt het. Sommige essays zijn maar een paar pagina’s en vormen een goed startpunt voor een discussie, zoals een kritisch stuk over anti-copyright en copyleft of over de creatieve industrie, anderen zijn uitgebreider en meer beschouwend of analyserend zoals die over internet literatuur.

Volgens Cramer, die zich een praktijk georiënteerde onderzoeker noemt, moet het verschil tussen theorie en praktijk worden opgeheven. “Criticism that gets its hands dirty”, daar gaat het om. De pay off hiervan zie je het meest duidelijk in de besprekingen van codeworks, zoals die van mez breeze. Cramer laat in zijn analyse en met zijn praktisch opgedane kennis van programmeren zien wat uniek is aan poëzie die gebaseerd is op code en welke niveaus van interpretatie er ontstaan. “A reflection of dystopia, subjectivization and algorithms as cultural constructs allows for computer art that critically reflects its codes. In the textual art of code works, algorithmic programs are – for the first time – no longer clean-room applications. Instead: they are dirty, corporeal and culturally contaminated material.” De metaforen die worden gebruikt verwijzen bijvoorbeeld naar infecties en virussen in de meerduidige betekenis van een biologisch virus, een computer virus, of taal als virus. Ook de bespreking van ‘I Am Sitting in a Room’ (1969) van Alvin Lucier heeft baat bij een talige blik. Cramer betreurt het dat men het werk enkel benadert als muziekinstallatie of muziekperformance, terwijl er vanuit het oogpunt van (programmeer)taal ook interessante perspectieven op het werk tevoorschijn komen.

Door de eclectische en daarmee ook wat gefragmenteerde aard van de collectie essays, is het even doorbijten aan het begin; er wordt van alles aangehaald wat pas later beter op z’n plaats valt. De hoofdstukindeling (Anti, Media, Ephemera, Speculative en Arts) biedt in die zin ook weinig houvast, al is dit vast de bedoeling. Definities zorgen voor hokjes en daarmee beperkingen, en dat moet nu juist vermeden worden. Maar zoals Cramer zelf al aangeeft, geen anti-media zonder media, en geen copyleft zonder copyright; ze hebben elkaar nodig, om zich af te zetten, of om toch op een of andere manier positie in te nemen. Deze meer allesomvattende blik is niet de makkelijkste, en de obscure codeworks blijven iets voor insiders. Maar Cramer laat wel zien dat er nood is aan die blik van de insider. Hopelijk zorgt dit voor een beter begrip, en krijgt Cramer niet alleen gehoor binnen de academische wereld maar ook binnen de praktijk van bijvoorbeeld de kunstwereld.

Anti-Media. Ephemera on Speculative Arts
door Florian Cramer
uit serie Studies in Network Cultures, uitgave van the Institute of Network Cultures
is hier te bestellen.